taalwijs.nu

taalwijs.nu

Kiezen én delen: een onderzoek naar de inhouden en benaderingen in Nederlandse lesmethodes Engelse literatuur (havo/vwo) van 1985 tot nu.

door
Valerie Meessen
PhD student en eerstegraads docent Engels

De lespraktijk van docenten kenmerkt zich door de overvloed aan (ongeplande) keuzemomenten, die kunnen variëren van vragen als: ‘Laat ik Kees, die twee seconden te laat is voor de bel, een briefje halen?’ tot ‘Ga ik opdracht drie klassikaal of alleen met individuele leerlingen bespreken?’ Er zijn aanwijzingen dat dit soort afwegingen wel meer dan duizend keer per dag voorkomen in ons beroep. 

Naast dit soort korte, dagelijkse keuzemomenten staan leraren ook voor grotere vraagstukken, zoals die van het vormgeven van hun curriculum. Als we kijken naar het domein literatuur voor de moderne vreemde talen, mijn vakgebied als docent Engels, genieten leraren veel vrijheid in het kiezen welke literaire werken ze aanbieden aan hun klassen: de eindtermen voor havo en vwo schrijven namelijk voor dat leerlingen kunnen rapporteren over hun leeservaringen met tenminste drie literaire werken, maar er worden verder geen eisen aan deze werken gesteld. Of docenten dus nu de sonnetten van Shakespeare voorschrijven, of een young adult novel van John Green, of een Victoriaanse pil van bijvoorbeeld een George Eliot; op allerlei manieren kunnen ze voldoen aan de officiële examenvoorschriften. 

De vraag echter welke literatuur enerzijds inspirerend, prikkelend en genoeg uitdagend, maar anderzijds ook passend en begrijpelijk en essentieel wordt geacht voor het ontwikkelen van literaire competenties van onze leerlingen, is niet gemakkelijk te beantwoorden. Het antwoord zal ook per docent verschillen. 

Lesmethodes worden in de eerste plaats ontworpen om docenten begeleiding en verlichting aan te bieden in dit soort keuzeprocessen. In het geval van lesmethodes literatuur buigen auteurs en redactieteams zich over bovenstaande vraag, die nog eens extra gecompliceerd wordt door een toegevoegd commercieel winstoogmerk. Wat educatieve uitgeverijen presenteren in dit soort methodes, een beperkte selectie van literatuur die noodzakelijkerwijs het resultaat is van een proces van uitsluiting, laat een inherent waardeoordeel zien, omdat alleen al de inclusie van bepaalde literaire werken in een lesmethode al een signaal afgeeft over het prestige hiervan. Ofwel, in Bourdieuaanse termen: het literaire werk wordt op deze wijze symbolisch kapitaal toegekend.

Over het algemeen zijn lesmethodes vrij populair onder Nederlandse docenten: ze maken er veelvuldig gebruik van, vaak in combinatie met eigen of online gevonden materialen. Voor lesmethodes literatuur lijkt dat echter te verschillen: het onderzoek van Delhey et al. (2025) geeft een indicatie dat een grote meerderheid van de huidige mvt-docenten hun literatuurlessen niet baseert op methodes en dat secties dus autonome keuzes maken in dit domein.

Dit levert een interessante discrepantie op die de vraag doet rijzen welke literaire werken en benaderingen tot deze literatuurlesmethodes dan voorschrijven, als zij niet in grote mate worden omarmd door docenten. Deze vraag is des te relevanter gezien de huidige discussie rondom leermiddelen. In 2024 verscheen het manifest Meer grip op kwaliteit leermiddelen, een gezamenlijk initiatief van betrokken partijen waaronder de AOb en de VO-raad, die de noodklok luidden over verschillende aspecten van de leermiddelenmarkt: zorgen over stijgende kosten, de monopoliepositie van de grote distributeurs en uitgeverijen, het gebrek aan flexibiliteit in contracten met deze partijen en het thema duurzaamheid. Naast al deze zaken staat, zoals de titel van het manifest al aangeeft, de roep om intensievere kwaliteitscontroles op leermiddelen centraal: op het moment van schrijven bestaat er in Nederland geen overkoepelend orgaan dat zulke controles uitvoert, en kan elke persoon, ongeacht diens achtergrond, een lesboek publiceren. Het manifest benadrukt dat het nu tijd is om actie te ondernemen. Op dit moment worden de kerndoelen en examenprogramma’s binnen het primair en voortgezet onderwijs namelijk geactualiseerd, en dus zal het landelijk curriculum in de komende jaren drastisch veranderen. Voor mijn eigen vak, Engelse taal en cultuur, wordt het conceptexamenprogramma havo/vwo nu op geselecteerde scholen getoetst, en de beoogde landelijke invoering hiervan in de bovenbouw staat gepland voor september 2028. In het nieuwe programma worden de vier vaardigheden plus literatuur geïntegreerd in drie nieuwe domeinen getiteld: Communicatie, Taalbewustzijn, en Cultuurbewustzijn. Hierin worden een aantal thema’s geïntroduceerd die geen onderdeel zijn van het huidige examenprogramma, waaronder taalvariatie, reflectie op taalleerprocessen, en meertaligheid. De aanstaande ambitieuze curriculumherzieningen zullen waarschijnlijk een sterkere behoefte creëren onder docenten aan ondersteuning in de vorm van lesmateriaal. Er lijkt in de nabije toekomst dus een grotere rol weggelegd voor educatieve uitgeverijen en hun producten. Het belang van wetenschappelijk ondersteund, kwalitatief hoogstaand, aansluitend, toegankelijk, en inspirerend materiaal is cruciaal voor een soepele invoering van de nieuwe curricula.

Voor het examendomein literatuur voor mijn eigen vak gaat er nogal wat veranderen. In de conceptversie van het examenprogramma staat aangegeven dat literatuur niet langer alleen in het schoolexamen getoetst wordt, maar ook in het centraal schriftelijk eindexamen. Hoewel het nog onduidelijk is wat de precieze praktische implicaties hiervan gaan zijn, vraagt deze tweede vorm van toetsing wel een meer uniforme, gestandaardiseerde vorm van lesgeven dan nu het geval is. Het schoolexamen wordt namelijk door individuele docenten of secties per school geschreven, naar aanleiding van de zelfgekozen literaire werken, terwijl het centraal schriftelijk een landelijk examen betreft dat voor elke eindexamenkandidaat havo/vwo hetzelfde is. Of we nu wel of niet naar bijvoorbeeld een invoering van een landelijke syllabus van auteurs of literaire werken gaan, de inrichting van het Nederlandse literatuuronderwijs zal met dit nieuwe eindexamenprogramma vermoedelijk uniformer worden. Lesmethodes, die de inhoud en benaderingen binnen lespraktijken kunnen stroomlijnen, zullen in dat geval een belangrijkere rol krijgen. 

Met deze ontwikkelingen in het achterhoofd onderzoek ik de inhouden en benaderingen in lesmethodes Engelse literatuur geschreven voor Nederlandse havo/vwo leerlingen in de periode 1985 tot nu, om inzicht te krijgen in veranderingen die zich hierin hebben voorgedaan (bijv. op het vlak van auteursselectie, lengte van fragmenten, diversiteit, innovatie e.d.). Deze resultaten zullen te vergelijken zijn met onderzoeken zoals dat van Delhey et al. (2025), die juist de literatuurselecties van docenten bestudeerden. In hoeverre verschillen de inhouden en benaderingen die educatieve uitgeverijen in hun methodes voorschrijven van die van docenten?  Hoe zijn deze inhouden en benaderingen veranderd door de jaren heen? Hoe kunnen we deze resultaten interpreteren in de context van de huidige ‘leescrisis’ of de stimulering van burgerschapscompetenties? 

Zeker met het oog op de toekomst is het relevant om het ontwerp van lesmethodes literatuur in kaart te brengen, om vanuit die input gezamenlijk het gesprek te kunnen voeren met verschillende onderwijsprofessionals (docenten, educatieve uitgeverijen, beleidmakers) over de vormgeving en kwaliteit van de lesmaterialen van morgen, in de hoop dat deze ons ondersteunen om de aanstaande curriculumherzieningen te gaan realiseren in onze klaslokalen. 

Bronnen

Delhey et al., Tekstselectie in het Nederlandse literatuuronderwijs: een enquêtestudie onder docenten Duits, Engels, Frans, Nederlands en Spaans (Amsterdam: Stichting Lezen, 2025).


terug