taalwijs.nu

taalwijs.nu

“Chais pas!” – Waarom informele gesprekken met moedertaalsprekers zo moeilijk zijn – en hoe we leerders kunnen helpen

door
Lisa Morano
Doctor en docent bij afdeling taal en communicatie aan de universiteit van Nijmegen

Waarom hebben tweede-taalleerders zoveel moeite met het begrijpen van informele spreektaal? Denk bijvoorbeeld aan woorden die sterk worden ingekort, zoals ‘natuurlijk’ dat klinkt als ‘tuuk’, of het Franse voorbeeld uit de titel dat de informele versie van ‘Je ne sais pas’ is. Op die vraag promoveerde Lisa Morano onlangs aan de Radboud Universiteit bij vreemde taalleerders van het Frans. In deze blogbijdrage legt zij uit hoe zij tot haar twee meest belangrijke conclusies is gekomen. Ten eerste blijkt dat informele vormen beter worden herkend naarmate leerders ze vaker horen. Ten tweede toont haar onderzoek aan dat expliciete uitleg en gerichte training een klein maar meetbaar voordeel opleveren ten opzichte van alleen blootstelling aan de taal. Naast deze onderzoeksresultaten presenteert Morano ook een praktisch hulpmiddel voor het onderwijs: een gratis online leerplatform “Casual French” dat zij speciaal ontwikkelde om tweede-taalleerders zelfstandig te laten oefenen met het begrijpen van informele uitspraak van woorden.

Wie een vreemde taal op school heeft geleerd weet nog hoe het eerste gesprek in het land met moedertaalsprekers voelde. Het ging waarschijnlijk veel minder soepel dan verwacht. [vwajeskəjvœdir]? Dat komt niet doordat de woorden die de moederstaalspreker gebruikt niet bekend zijn: de volgende zin bestaat bijna uitsluitend uit woorden op A1-niveau: Vous voyez ce que je veux dire – ‘u ziet wat ik bedoel’. En het gaat hier ook niet om het gebruik van accenten (hoewel die natuurlijk het begrip kunnen hinderen). De moeilijkheid ontstaat vooral door ingekorte of ‘halve woorden’, oftewel gereduceerde vormen. In alledaagse conversaties spreken moedertaalsprekers woorden niet zo duidelijk uit als de taaldocent op school, of als tijdens een sollicitatiegesprek. Je zou misschien denken dat dit slordig taalgebruik is, maar gereduceerde vormen zijn in gesproken taal eigenlijk vaak de norm en niet de uitzondering. Bijvoorbeeld, in het Frans, tu – ‘je’ wordt bijna altijd (88%) afgekort als het gevolgd wordt door een klinker. Zo zeggen Franse mensen bijna nooit tu es où ? (‘waar ben je?’) maar T’es où ?. Met andere woorden, één van de basiswoorden van de Franse taal, dat meestal in de eerste weken van een cursus Frans wordt aangeleerd, wordt heel vaak niet uitgesproken zoals we leerders leren dat het hoort. 

Toen ik besloot aan dit onderwerp mijn proefschrift te wijden, was mijn eerste hypothese dat tweede-taalleerders meer moeten worden blootgesteld aan gereduceerde vormen om ze te kunnen begrijpen. En dat bleek ook het geval te zijn. Ik heb Nederlandse universitaire studenten gevonden die het Frans al een tijdje achter zich hadden gelaten (na maximaal drie jaar Frans te hebben gehad op de middelbare school) en ik leerde hun 24 worden met een sjwa (of schwa, de ‘stomme e’) in de eerste lettergreep (b.v., le chemin, ‘de weg’). In dit type woorden kan de sjwa worden uitgesproken [ləʃəmɛ̃] of niet [ləʃmɛ̃]. Een derde van de participanten leerden de woorden met de sjwa uitgesproken [ləʃəmɛ̃], een derde zonder sjwa uitgesproken [ləʃmɛ̃], en een derde in allebei varianten. Belangrijk was dat de participanten nooit de woorden geschreven zagen. Ze leerden de woorden alleen met behulp van geluid en beelden. Na de leerfase heb ik de participanten gevraagd om naar woorden te luisteren en aan te geven of die volgens hen in het Frans bestaan (bijv. le chemin) of niet bestaan (bijv. la retoufle). Ik ontdekte dat de deelnemers de vorm waarop ze waren getraind veel nauwkeuriger herkenden (ongeveer 70%) dan wanneer ze niet op die vorm waren getraind (ongeveer 35%). Het maakte daarbij niet uit of de getrainde vorm de volledige of de gereduceerde vorm was. Ook de groep die op beide vormen was getraind haalde een nauwkeurigheid van ongeveer 70%. 

Dit zijn bemoedigende resultaten, want het ging om studenten die geen enkele interesse in het Frans hadden. Hoeveel zouden we dan niet kunnen bereiken bij leerders die wél interesse in het Frans hebben en bovendien expliciete instructie krijgen over gereduceerde vormen? Ik gaf tien weken lang dertig minuten per week les aan universitaire studenten die zes jaar Frans hadden gehad op de middelbare school. Sommigen kregen expliciete uitleg over reducties, anderen kregen in plaats daarvan grammaticalessen, maar allemaal werden tijdens de lessen in gelijke mate blootgesteld aan gereduceerde vormen. Daarna testte ik hun kennis met invuloefeningen op basis van dictees met opnames van echte gesprekken.

De resultaten waren niet zo als verwacht. Hoewel de nauwkeurigheid van de studenten die expliciet waren onderwezen over gereduceerde vormen significant beter was dan die van de studenten die enkel reducties hadden gehoord maar grammatica-instructie hadden gekregen, bleef de algemene nauwkeurigheid beperkt tot maximaal 25%. Ik ontdekte wel dat gereduceerde vormen die sterk afwijken van de volledige vorm (bijv. il y a [i.li.ja] ‘er is/zijn’, uitgesproken als [ja]) en waarvan moedertaalsprekers zich bewust zijn dat ze die produceren – ze schrijven soms deze vormen in informele teksten zoals sms’jes – het makkelijkst te leren waren. Omdat dit type reducties uit een beperkt aantal woorden bestaat, kunnen ze geleerd worden als nieuw vocabulaire, net zoals de sjwa-woorden in mijn eerste experiment. Daarentegen waren de gereduceerde vormen waarbij een klinker ontbreekt in vergelijking met de volledige vorm (bijv. réunion ‘vergadering’ uitgesproken als [re.njõ] in plaats van [re.u.njõ]) en waarvan moedertaalsprekers zich niet bewust zijn dat ze die produceren, het moeilijkst te leren.

Mijn belangrijkste advies aan docenten Frans is daarom: leer je leerlingen deze bewuste gereduceerde vormen als informele synoniemen van hun volledige vormen (bijv. steuplé voor s’il te plaît ‘alsjeblieft’, e’ pense voor elle pense ‘zij denkt’, enzovoort). Daarbij kan ik ondersteuning bieden. Op basis van de resultaten van mijn proefschrift heb ik een gratis online leerplatform ontwikkeld: Casual French. Voor docenten is het nuttig om meer authentiek, informeel taalgebruik in het klaslokaal te integreren en leerders toegang te geven tot digitale hulpmiddelen die extra variatie en herhaling bieden, ook in het kader van de nieuwe eindtermen over taalbewustzijn. Het leerplatfom bestaat uit zes ondertitelde video’s waarin ik de meest voorkomende gereduceerde vormen in het Frans presenteer, evenals enkele aanvullende concepten die belangrijk zijn om gesproken Frans te begrijpen (bijv. hoe het splitsen in lettergrepen in het Frans werkt). Elke video wordt gevolgd door oefeningen waarmee leerders zich de in de video’s aangeleerde concepten eigen kunnen maken. Er zijn ook luistervaardigheidsoefeningen en ongeveer 200 invulzinnen om het herkennen van gereduceerde vormen te automatiseren, allemaal afkomstig uit opnames van informele gesprekken. De website is zo ontworpen dat zij toegankelijk is voor leerders op B2-niveau zonder begeleiding van een docent. Voor lagere niveaus adviseer ik echter begeleiding, om frustratie te voorkomen, aangezien de lessen en oefeningen volledig in het Frans zijn en de woordenschat waarschijnlijk soms te moeilijk kan zijn.

Enfin, aarzel vooral niet om je leerders voor een volledige onderdompeling naar een Franstalig land te sturen. Tot nu toe hebben we nog geen betere manier gevonden om gereduceerde vormen aan te leren.

Mijn scriptie is hier te downloaden https://repository.ubn.ru.nl/handle/2066/324456 en het websiteadres van het leerplatform is als volgt https://cls.ru.nl/casualfrench/


terug