taalwijs.nu

taalwijs.nu

De Engelse taalbehoefte van Nederlandse onderofficieren

Door Martijn Prins, docent Engels bij het TalenCentrum Defensie en lerarenopleider Engels aan de Hogeschool van Utrecht

Een Nederlandse onderofficier overlegt met zijn Duitse collega’s

Nederlandse onderofficieren zijn de ruggengraat van de Koninklijke Landmacht. Zij zijn als leiders op de werkvloer en kwaliteitsbewakers onmisbaar. Omdat Nederland een lid is van de NAVO, moeten Nederlandse militairen ook participeren in multinationale trainingen en missies. De Koninklijke Militaire School (KMS) leidt nieuwe onderofficieren op en het Expertise Centrum KMS (EC KMS) bepaalt de eindeisen. Het Talencentrum Defensie (TCD) verzorgt het taalonderwijs voor de Nederlandse krijgsmacht en zo ook voor de KMS. Het TCD en EC KMS wilden het curriculum voor Engels opnieuw ontwerpen op basis van welke taaltaken relevant zijn op de werkvloer.

Omdat het soort missies en de daarbij behorende taalbehoefte sterk kan verschillen, moest worden gekeken naar de gemene deler hierin. Niet alleen uitzendingen, maar ook de behoeften tussen onderofficieren in verschillende functies en rangen kunnen sterk van elkaar verschillen. Om die reden heb ik er bij dit onderzoek voor gekozen om mij vooral te richten op de eerste vier jaar van de carrière van onderofficieren die te voet vechten, oftewel de infanterie. Deze onderofficieren sturen vaak een groep van zes tot negen soldaten aan. Verder wilde ik in mijn thesis kijken naar wat de taalbehoeften van onderofficieren zijn door relevante taaltaken te identificeren zodat dit een basis zou vormen voor een curriculumvoorstel. Het uitvoeren van het onderzoek gebeurde in drie fases: de voorbereidingsfase, prototypefase en assessmentfase.

Tijdens de voorbereidingsfase heb ik een Needs Analysis uitgevoerd. Eerst keek ik naar het kwalificatieprofiel, dat de basis vormt voor de eindeisen voor de onderofficier. Daarna nam ik ongestructureerde interviews af met actief dienende onderofficieren bij Defensie en met hun eindverantwoordelijken in de brigade en landmachtstaf. Hierna kon ik een selectie maken van taaltaken en hoe belangrijk die zijn voor missiesucces, hun frequentie, de moeilijkheidsgraad, eventuele trainingsbehoefte en de hoeveelheid militair vocabulaire die benodigd was. Vervolgens heb ik gestructureerde interviews afgenomen verspreid over het land om te kijken of andere onderofficieren deze taaltaken konden bevestigen. Dit diende tevens als een opzet voor een vragenlijst die ik heb uitgezet onder alle onderofficieren binnen de infanterie. Uiteindelijk hebben vijfenvijftig respondenten gereageerd op de vragenlijst. Participanten gaven als extra antwoord aan dat zij vooral Engels moesten gebruiken tijdens kleinschalige uitzendingen zoals die in Irak en Mali. Daarnaast gaven zij aan dat vooral onderofficieren die verder in hun carrière zijn Engels nodig hebben. Als laatste werd er benadrukt dat de rol van Duits steeds groter wordt in de Nederlandse landmacht, wat niet verrassend is gezien de toenemende samenwerking en integratie tussen Nederlandse en Duitse eenheden. Om deze fase af te sluiten werden er twee vergaderingen gehouden met militaire- en taalexperts, beleidsmakers en docenten van de KMS. In samenspraak werd er besloten welke taaltaken essentieel waren in het programma en welk ERK-niveau benodigd zou zijn om de taak succesvol uit te voeren.  

Een onderofficier geeft instructie aan Koerdische Peshmerga in Irak

De prototypefase begon met twee gesprekken met KMS-docenten en vertegenwoordigers van het EC KMS en de vaktechnische opleiding voor de infanterie. Samen kwamen zij tot negen ontwerpprincipes. Uiteindelijk werden het kunnen luisteren, analyseren en mondeling uitgeven van een bevel in het Engels geselecteerd als taaltaken voor de onderofficier. Met de ontwerpprincipes klaar kon er een eerste prototype worden geschreven van een nieuw curriculum vergezeld van twee voorbeeldlessen. Daarna ging het prototype door drie rondes van feedback. Zo gaven beleidsmakers van het TCD en KMS, docenten Engels en een onderwijskundige aan hoe relevant, praktisch, effectief en consistent met de ontwerpprincipes het prototype was.

 

Een onderofficier geeft instructie aan Oekraïense soldaten in het Verenigd Koninkrijk

In de laatste (assessment)fase werd er op een summatieve manier gekeken naar het laatste prototype. De feedback werd gegeven door twee KMS-docenten, de senior KMS-docent, de plaatsvervangend commandant van het EC KMS en de opleidingsmanager van het TCD. De docenten waren tevreden met het uiteindelijke ontwerp. Aanbevelingen waren vooral van praktische aard. Zo stelde de opleidingsmanager voor om sterkere studenten eerder te laten uitstromen, terwijl de docenten dit niet wilden. Dit zou voor het onderwijspersoneel extra werkdruk opleveren en de prestatie van de zwakkere studenten negatief beïnvloeden. Een andere belangrijke aanbeveling was om versimpelde (pedagogische) taken te gebruiken voor de taaltaak, omdat het anders teveel tijd in het curriculum in zou nemen. Het EC KMS wilde daarnaast dat er voor Engels zoveel mogelijk authentiek materiaal zou worden gebruikt door de docenten. Hierbij zou dus de samenwerking met militaire collega’s opgezocht moeten worden. De aanbevelingen van de respondenten heb ik verwerkt in het uiteindelijke curriculumvoorstel.

Op de vraag wat alle onderofficieren binnen de landmacht nodig hebben op het gebied van taal zal ik nooit een definitief antwoord krijgen. Nieuwe (trainings)missies brengen constant nieuwe taalbehoeften met zich mee, waardoor het in kaart brengen ervan een continu proces is. Dit onderzoek was een eerste aanzet voor dit proces door het maken van een Needs Analysis-model en het in kaart brengen van taaltaken. Vervolgonderzoek zal zich de komende jaren richten op onderofficieren die verder zijn in hun carrière. Op dit moment is de Koninklijke Militaire School bezig om het curriculum voor Engels aan te passen op basis van het eerder genoemde curriculumvoorstel. Ik hoop dat mijn onderzoek als een inspiratie mag dienen voor andere (beroeps)opleidingen om ook een Needs Analysis in te zetten voor het (her)ontwerpen van hun taalcurriculum. Ik denk namelijk dat, om studenten adequaat voor te bereiden op hun toekomstige beroep, je als school goed moet kijken naar wat de mensen op de werkvloer nodig hebben.

De complete scriptie is hier te vinden.


terug

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.