Logo Universiteit Utrecht

taalwijs.nu

taalwijs.nu

Joana Duarte: “Niemand zou voor rijles betalen als je niet goed leerde rijden”

Foto: Martina Ketelaar

Joana Duarte (1977) is een onderzoeker met passie voor meertaligheid in het onderwijs. Naast haar werk aan de NHL Stenden Hogeschool en de Rijksuniversiteit Groningen is zij Bijzonder Hoogleraar Wereldburgerschap en tweetalig onderwijs aan de Universiteit van Amsterdam. In haar onderwijs en onderzoek richt Joana zich op taalonderwijs in een meertalige omgeving en de bevordering van meertaligheid in het onderwijs met specifiek aandacht voor migrantentalen, streektalen en het Fries. Marije Michel interviewde haar over de rol die meertaligheid speelt in haar persoonlijke en professionele leven – best veel, want wat ze onderzoekt leeft ze ook!

Welke talen beheers jij, of ben je aan het leren?

Portugees is de taal die ik van allebei mijn ouders heb meegekregen en die ik spreek met mijn zoon. Verder zijn mijn werktalen Duits, Engels, Nederlands en Fries. Ik werk veel in projecten met romanisten en daarbij val ik terug op het Frans dat ik heb geleerd op school. Ik ken ook Spaans, of eigenlijk Portognol (een soort Spaans met Portugees accent). Als Erasmusstudent in Athene heb ik ooit Grieks geleerd en omdat ik het leuk vond heb ik ook Italiaans gestudeerd.  

Door deze meertalige basis (op school heb ik ook Latijn gehad) kan ik mij in veel situaties redden. Zo heb ik als wetenschappelijk adviseur voor het Ministerie van Onderwijs in Luxemburg gemerkt dat ik gesprekken in het Letzeburgesch voor 80% kan verstaan. En laatst had ik een gesprek met vrouwen van het Ministerie van Onderwijs van Bonaire en kwam erachter dat ik Papiaments best goed kon volgen.

Wat is jouw drijfveer om zoveel talen te leren?  

Ik ben van nature heel communicatief en niet verlegen. Mijn ouders zijn academici en hebben mij vroeg met het Engels in contact gebracht. We hadden regelmatig gastdocenten of -studenten op bezoek, ik ging mee naar congressen waar ik met andere kinderen in het Engels speelde. Als tiener hielp ik ook mee bij het organiseren van hun congressen. Terwijl mijn vrienden in de horeca werkten, ‘deed’ ik die congressen voor mijn ouders als een soort vakantiebaantje. 

Frans heb ik op school geleerd en ik vond het fantastisch. Ik had waarschijnlijk de enige echt goede leerkracht voor Frans in heel Portugal. Elke dag werden we uitgedaagd om het ontzettend goed te doen. We wisten tot op het einde niet of ze nou Frans of Portugees was. Ze leerde ons alles ook over geschiedenis, nam ons mee naar toneel en natuurlijk naar Frankrijk. Spaans en ‘Portognol’ heb ik gewoon van Spaanse vrienden geleerd en omdat we daar met vakantie gingen.

Het was een logische keuze dat ik met mijn passie voor talen een docentenopleiding ging doen. Als 21-jarige kwam ik terecht in een meertalige klas waar ik Portugees moest geven aan leerlingen die van zichzelf niets meer verwachtten. Ze zeiden: ‘Mevrouw, wij zijn een verzameling van losers. We zullen rustig in de klas blijven en onze boeken lezen, maar we gaan het toch niet leren.’ Dat wilde ik niet geloven. Ik ging Portugese literatuur met ze lezen en haalde oudere Russische broers, Angolese moeders en oma’s die creools spraken naar de klas, zodat ze in hun thuistaal over de teksten konden leren. Ik liet het curriculum los. Het was heel rommelig, maar aan het eind van het jaar voerden we een meertalig toneelstuk en muziek op waarmee we een prijs wonnen. Ik was kapot, maar ook heel trots – en deze ervaring had mijn liefde voor meertaligheid in het onderwijs gewekt. 

Ik had dat jaar volledig op mijn intuïtie gedraaid, maar wilde meer weten over meertaligheid in het onderwijs. In Hamburg bestond een tweejarige Master Intercultural Education. Ik wilde nooit Duits leren, want dat vond ik een lelijke taal. Maar toen ik eenmaal in Hamburg zat, merkte ik dat het gewoon moest. Binnen een jaar volgde ik colleges en deed mijn mondelinge tentamens in het Duits. Na mijn studie bleef ik daar hangen voor mijn promotieonderzoek, ik trouwde met een Duitser en kreeg een kind. Pas in mijn postdocfase werd het lastig om daar verder te komen in de academische wereld, want ik had geen Duits gestudeerd en banen voor meertaligheid bestonden toen nog niet.

Het was eigenlijk geen opzet om naar Nederland te komen. Ik wilde voor de lol een cursus Turks doen, maar die zat vol dus schreef ik me in voor een intensieve cursus Nederlands van twee weken. En toen kwam er toevallig een vacature in Groningen voorbij. Het sollicitatiegesprek aan de Hanzehogeschool verliep in het Nederlands, of iets wat daarvoor moest doorgaan, maar ik werd wel aangenomen. Later kon ik het werk uitbreiden als universitair hoofddocent aan de RUG en sinds 2019 als lector Meertaligheid en Geletterdheid aan de NHL Stenden Hogeschool en nu dus ook als Bijzonder Hoogleraar aan de UvA. 

Op een congres in Engeland hoorde ik aan de tafel naast mij een taal die ik niet kon plaatsen. Ik wilde weten wat het was. Zo kwam ik in contact met collega’s van de Fryske Akademy – en met mijn huidige man. Dus ging ik Fries leren, gewoon met taalcursussen van de Afûk. Ik deed Nederlands er tegelijkertijd bij, want met de basis in het Duits ging het best snel. Turks, Russisch en Zweeds staan nog op mijn verlanglijstje.

Wat zie je als grootste meerwaarde van meertaligheid?

Voor mijn werk heeft het zeker een grote meerwaarde, want ik kom verder, kan breder samenwerken en kan bijvoorbeeld de literatuur van verschillende onderzoekstradities lezen. Sowieso gaan door het leren van andere talen nieuwe werelden open. Ik denk bijvoorbeeld dat ik meertalige studenten beter kan begrijpen. Meertaligheid biedt je de mogelijkheid om de wereld met andere ogen te zien waardoor je een grote empathie kunt ontwikkelen. Zijn er ook nadelen? Ja, misschien. Bijvoorbeeld als je een heel specifiek woord wilt gebruiken maar het komt alleen boven in taal A, terwijl je in een situatie zit waar je taal B nodig hebt. Dat is soms lastig. Maar goed, ik heb dan wel gelijk een hele lijst aan synoniemen beschikbaar, wat weer handig is. Ook maak ik wel eens een ‘bad language day’ mee, zoals anderen een ‘bad hair day’ kunnen hebben. Bij mij kan het gebeuren dat ik in geen enkele taal uit mijn woorden lijk te kunnen komen. Dan zijn mijn hersenen overbelast door teveel talen. Andersom heb ik soms ook dagen met zeven talen en gaat het helemaal goed. 

Wat is volgens jou de beste manier om een vreemde taal te leren 

Ik was echt verbaasd toen ik naar Duitsland en Nederland kwam en het niet zo succesvolle talenonderwijs zag. Niemand zou voor rijlessen betalen, als je aan het einde niet zou kunnen afrijden. Maar het is hier zo dat leerlingen zes jaar lang drie uur per week talenonderwijs krijgen en aan het eind de taal niet goed beheersen. Dat is toch doodzonde?

We moeten echt de switch maken van nadruk op de vorm naar gebruik van taal in context. Als je uitdagende en authentieke contexten creëert dan gaan leerlingen het echt wel leren, omdat ze de taal nodig hebben om verder te komen. Ga op reis, lees de online kranten, doe meerdere talen tegelijkertijd, schrijf gedichten die kunnen rijmen in meerdere talen. Wat ik nu zie is dat mijn zoon voor Frans 300 onzinnige woorden uit zijn hoofd moet leren. Ik probeer dan om ze in een zin te stoppen, om er ten minste iets authentieks van te maken, en dan zegt hij: ‘Dat hoeft niet, want deze woorden komen nooit in een zin voor.’ Dat vind ik schokkend. Zelfs voor Duits, zijn ‘vadertaal’, moet hij woorden leren, en bij Nederlands heeft hij alleen maar grammatica en werkwoordspelling. Stop met die focus op grammatica en woordenschat. Daarmee is de liefde voor taal gelijk dood. Ik vind het niet vreemd dat er op deze manier in Nederland weinig animo voor talenstudies is. Persoonlijk heb ik dat nog nooit gedaan, woordjes leren. Maar ik kan wel overal met mijn talen terecht!

 


terug

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.