Nijmegen in het teken van de Duitse taal en cultuur: internationale perspectieven op taal- en cultuurbewust leren van Duits als vreemde taal … en de nieuwe generatie Nederlandse germanisten komt er ook aan
Van woensdag 17 tot en met zaterdag 20 juni 2026 stond Nijmegen vier dagen lang in het teken van de Duitse taal en cultuur. Aan de Radboud Universiteit vonden drie conferenties plaats binnen de Germanistische Institutspartnerschaft Marburg–Nijmegen–Poznań: eerst de Internationale Nachwuchskonferenz „Junge Forschung im Bereich Deutsch als Fremdsprache” (woensdag en donderdag), terwijl parallel op donderdagmiddag de Studierendenkonferenz door de VGNU (Vereniging voor Germanisten aan Nederlandse Universiteiten) georganiseerd werd. Aansluitend vond de Internationale Bildungskooperationstagung onder het thema “Kulturbezogenes Lernen im Bereich Deutsch als Fremd- und Zweitsprache: Positionen und Perspektiven” (vrijdag en zaterdag) plaats. Eén vraag liep als een rode draad door alle dagen heen: hoe geef je vorm aan cultuur- en taalbewust leren in een wereld die voortdurend in beweging is?
Het was bloedheet en toch reisden er veel belangstellende collega’s en studenten uit de nationale en internationale germanistiek naar Nijmegen om over hun onderzoek in gesprek te gaan. De sfeer was open en geïnteresseerd, en bij vrijwel elk onderwerp ontstonden levendige discussies — discussies die zich het liefst ook ná het tijdslot nog hadden voortgezet. Dat deden ze dan ook gewoon: tijdens de koffiepauzes, de lunches en de gezamenlijke diners werd onverminderd doorgepraat, doorgevraagd en gespeculeerd.
Perspectieven van jonge wetenschappers op Duits als vreemde of tweede taal
Juist bij de Nachwuchskonferenz viel de grote opkomst op: een zaal vol promovendi en beginnende onderzoekers uit Nederland, Duitsland, Polen en daarbuiten. Dat is een bemoedigend teken voor de toekomst van het vak. Het programma werd geopend met de prikkelende pre-conference workshop How not to use AI van prof. dr. Mark Dingemanse (Nijmegen). AI biedt op veel gebieden veel kansen, maar hoe zit dat in de academische wereld? Zijn de principes uit de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit (eerlijkheid, zorgvuldigheid, transparantie, onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid) wel met AI te verenigen? En verliezen we niet juist een hoop creativiteit en onze eigen stem als we AI ons werk laten doen? Onder leiding van prof. Dingemanse werd een inspirerend gesprek gevoerd over ‘slowing down’, de tijd nemen voor wat belangrijk en waardevol is.
Het programma dat daarop volgde, liet de volle breedte van het junior onderzoek naar Duits als tweede of vreemde taal zien. Een aantal van de voorgestelde projecten omvatte klassiek interlanguage onderzoek naar het taalgebruik van leerders van het Duits als vreemde of tweede taal. Hier ging het deels om de communicatieve, idiomatische en pragmatische competenties. Veel onderzoek draaide ook om actuele taaldidactische vraagstukken zoals de invloed van AI op de ontwikkeling van Duits als vreemde taal, scenario gebaseerde taaltoetsing of het gebruik van storytelling of Instagram Reels bij het leren van Duits. Bij dit onderzoek werden vaak kwalitatieve of design-based methoden gehanteerd. Een derde focus lag op taal- en cultuurbewuste manieren van taalonderwijs. Dit laat zien dat de nieuwe kerndoelen in het Nederlandse MVT onderwijs een weerspiegeling zijn van wat er ook internationaal bij het onderzoek naar Duits als vreemde en tweede taal speelt.
Een postersessie bood daarnaast een dwarsdoorsnede van lopend promotieonderzoek, van alfabetisering van laaggeletterde Duits als tweede taal leerders tot task enjoyment bij het leren van buurtalen, en zorgde voor precies het soort gesprekken waarvoor zo’n conferentie bedoeld is.
Meerdere van de voorgestelde PhD-projecten kwamen van Nederlandse universiteiten, onder andere ook een presentatie over het promotieonderzoek van Anselm Treher (mede-auteur van deze blog). Binnen het Kracht-van-Meertaligheid (KraMe) project van de Radboud Universiteit en de Universität Duisburg-Essen doet Anselm onderzoek naar hoe inhouden over taalbewustzijn en meertaligheid in het taalonderwijs van de buurtalen Duits en Nederlands digitaal gebruikt kunnen worden. Hij vertelde hoe positief de leerlingen de methodes tijdens een pilotstudie hebben ervaren.
Van campingtaal over Stolpersteine naar hedendaagse Duitse literatuur
Omdat er al best wat germanisten bij elkaar waren op de RU werd deze gelegenheid ook meteen benut om op donderdagmiddag de jaarlijkse Studierendenkonferenz (of STUK) van de VGNU (Vereniging voor Germanisten aan Nederlandse Universiteiten) te organiseren. Hier mochten de beste BA- en MA-studenten op het gebied van de Duitse taal en cultuur van Nederlandse universiteiten hun afstudeerscripties presenteren. Het was een rijk geschakeerde en kwalitatief hoogwaardige conferentie met taal-, cultuur- en letterkundige onderwerpen die liet zien hoe breed en boeiend de mogelijkheden voor Nederlandse studenten zijn om zich in de Duitse taal en cultuur te verdiepen. Wat leuk om te zien dat afgestudeerden van alle vijf universiteiten waar germanistische cursussen worden aangeboden vertegenwoordigd waren. Omdat de kwaliteit zo hoog was en het palet zo breed, werden op BA-niveau drie eerste prijzen verdeeld aan een taalkundig onderzoek uit Groningen en twee letterkundige scripties uit Leiden en Nijmegen. Op MA-niveau ging de eerste prijs aan een letterkundig project uit Utrecht en de tweede prijs aan een taalkundig project uit Groningen.
Cultuurgericht leren – perspectiven en standpunten
Op vrijdag volgde de Bildungskooperationstagung. Na een welkom door betrokken organisaties (Radboud Universiteit en de DAAD) en wetenschappelijke hosts (Kathrin Siebold uit Marburg, Sylwia Adamczak-Krysztofowicz uit Poznan en Sabine Jentges uit Nijmegen) zetten – over de twee dagen verdeeld – drie keynotes de toon. Camilla Badstübner-Kizik (Poznań) opende met de uitnodiging om vreemdtalig cultuurgericht leren consequent „vanuit de haalbaarheid” vorm te geven. Hannes Schweiger (Wenen) verbond cultuurreflexief leren expliciet met kritisch leren, zelfbeschikking, burgerschap en maatschappelijke participatie. En op zaterdag boog Beate Baumann (Catania) zich over de relatie tussen literatuurbemiddeling en cultuurreflexief leren. Samen lieten zij de spanning van het thema zien: tussen het haalbare en het wenselijke, tussen de klas en de samenleving.
In de parallelle secties werd die spanning concreet ingevuld vanuit zeer verschillende invalshoeken. Sprekers presenteerden internationale samenwerkings- en ontmoetingsprojecten, schoolse contexten, en grensoverschrijdend taal- en cultuurbewust leren in Interreg-projecten in de Euregio. Wat de bijeenkomst bijzonder maakte, was dat niet alleen onderzoekers naar onderwijsmethoden aan het woord kwamen, maar ook mensen uit de praktijk, uit de instanties die het curriculum vormgeven en uit de wereld van de grensoverschrijdende samenwerking zelf. Zo schetste Marjon Tammenga (SLO) samen met Doris Abitzsch (Utrecht) de stand van zaken in de Nederlandse lerarenopleiding Duits tegen de achtergrond van de geactualiseerde kerncurricula, en liet Michael Seyfarth (Leipzig/Istanbul) zien hoe cultuurgericht leren al vanaf A1 als discoursleren kan worden opgevat, en hoe de grenzen van het lesboek (mede met behulp van AI) kunnen worden overwonnen.
Robin Hammann gaf vanuit Interreg een inkijk in de grensoverschrijdende Interreg-projecten in de Euregio: zij liet zien welke mogelijkheden zulke projecten bieden en legde uit hoe de procedure in grote lijnen verloopt — een nuttige blik achter de schermen, omdat veel van het taal- en cultuurbewuste werk in de grensregio juist binnen dit soort programma’s tot stand komt. En die grensoverschrijdende samenwerking bleef niet beperkt tot de Nederlands-Duitse grens: ook langs de Duits-Poolse grens wordt belangrijk werk verricht. Zo lieten Sylwia Adamczak-Krysztofowicz en Magdalena Jaszczyk-Grzyb (Poznań) aan de hand van een Duits-Poolse buurtaal-tandemcursus voor hulpverleners zien welke mogelijkheden én grenzen cultuurgericht leren in zo’n concrete grenscontext kent. Die afwisseling van perspectieven, dus beleid, lespraktijk, projectfinanciering en onderzoek naast elkaar, gaf de discussies telkens een extra laag.
Ook op vrijdag presenteerde het team van het KraMe-project de gezamenlijke bijdrage over buurtalen leren in de context van meertaligheid. Ze konden daarbij niet alleen het project zelf toelichten, maar ook de eerste lesmaterialen laten zien die voor de klas ontwikkelt worden. Het was inspirerend om te merken hoe dat materiaal direct vragen en reacties opriep, en hoe het thema van de conferentie zo heel tastbaar werd in concrete lesideeën voor de grensregio.
Na de laatste sessie liep het gesprek door bij een gezamenlijke barbecue in het “cultuurcafé” op de campus. Dit werd gevolgd door een literaire lezing van Stephan Wolting (Poznań), „Nur noch weg. Zwischen Wendezeit und Zeitenwende”, gemodereerd door Ewout van de Knaap (Utrecht) — een welkome herinnering dat het bij Duits als vreemde taal nooit alleen om didactiek gaat, maar ook om de taal als literatuur en als geleefde geschiedenis.
Wat na vier dagen vooral bijblijft, is niet één enkele bijdrage, maar de toon van het geheel. Ondanks de hitte was de stemming uitgesproken hartelijk en betrokken. De discussies wilden geregeld over de tijdsgrens heen, en juist die overloop – naar de koffiepauze, naar de lunch, naar het diner – was waar veel van de uitwisseling en het netwerken plaatsvond. Voor een vak dat zich vaak zorgen maakt over zijn toekomst, was de grote opkomst van jonge onderzoekers een geruststellend signaal.
Alles overziend lieten de Nachwuchstagung, de StuK en de GIP-Tagung zien dat de Duitse taal en cultuur in Nederland en internationaal leeft en dat onderzoek naar taalonderwijs geen vaststaand antwoord kent, maar een doorlopend gesprek is over posities en perspectieven. Over wat haalbaar is, wat wenselijk is, en hoe de buren aan weerszijden van de grenzen samen verder bouwen.
terug