Onderzoek doen naar je eigen onderwijspraktijk: inspiratie op de LLRC-conferentie 2026
Op 5 juni reisde ik samen met collega Marie Steffens en student-assistent Merel van Eijk af naar Leiden voor de jaarlijkse LLRC-conferentie, georganiseerd door het Language Learning Resource Centre. Het thema van deze editie was Language Teacher Research: onderzoek door docenten, voor docenten. Dit is een thema dat uitstekend aansluit bij de missie van Taalwijs en het Meesterschapsteam Moderne Vreemde Talen. Want hoe zorgen we ervoor dat onderzoek niet in een la verdwijnt, maar daadwerkelijk bijdraagt aan beter talenonderwijs? Een belangrijk deel van het antwoord bleek tijdens deze conferentie verrassend eenvoudig: door docenten zelf onderzoek te laten doen.
De conferentie vond plaats in het Lipsiusgebouw van de Universiteit Leiden en bracht onderzoekers, lerarenopleiders, docenten en studenten samen rond één centrale vraag: wat gebeurt er als docenten hun eigen onderwijspraktijk systematisch onderzoeken? Het resultaat was een dag vol mooie voorbeelden van onderzoek dat direct voortkomt uit vragen uit de klas en waarvan de opbrengsten meteen weer terugvloeien naar diezelfde onderwijspraktijk. Een van de hoogtepunten van de dag was de keynote van Darío Banegas (University of Edinburgh), een internationaal bekende onderzoeker op het gebied van action research. Banegas hield een inspirerend pleidooi voor kleinschalig praktijkonderzoek door docenten. Volgens hem hoeven goede onderzoeksprojecten niet groots of ingewikkeld te zijn. Juist de kleine vragen uit de dagelijkse lespraktijk kunnen leiden tot waardevolle inzichten. Waarom werkt een bepaalde werkvorm wel in de ene klas en niet in de andere? Hoe reageren leerlingen op een nieuwe opdrachtvorm? Wat gebeurt er als je meer ruimte geeft aan doeltaalgebruik? Het zijn vragen die iedere mvt-docent wel herkent. Banegas liet zien hoe dergelijke vragen systematisch onderzocht kunnen worden zonder dat dit een onhaalbare extra belasting vormt.
Die gedachte liep daarna dan ook als een rode draad door de rest van het programma. Verschillende sprekers presenteerden onderzoeken die direct waren voortgekomen uit concrete onderwijsvragen. Zo werd door Kimberly Naber en Rick de Graaff (Universiteit Utrecht) gesproken over het gebruik van authentiek luistermateriaal in cursussen Nederlands voor internationale medewerkers en woonde ik de presentatie van Karen de Bot (Rijksuniversiteit Groningen) bij over de inzet van het spel 30 Seconds in lessen Nederlands als tweede taal. Marjolein Lansing (Universiteit Leiden) sprak over CLIL in het literatuuronderwijs en door Sjoerd Lindenburg (Universiteit Leiden) over het gebruik van televisieseries als middel voor taalverwerving. Wat deze presentaties gemeen hadden, was dat de onderzoeksvragen niet van buitenaf waren opgelegd, maar waren ontstaan vanuit ervaringen in de onderwijspraktijk van docenten zelf.
Tijdens één van de middagsessies verzorgden Marie Steffens, Merel van Eijk en ikzelf een presentatie over ons eigen onderzoek binnen de bachelor Franse taal en cultuur aan de Universiteit Utrecht. Samen met onze collega Anne-France Pinget onderzochten we een vraag die voortkwam uit onze eigen onderwijspraktijk. Enkele jaren geleden hebben we de cursus Français 3 opnieuw ontworpen volgens de principes van CLIL (Content and Language Integrated Learning) en TBLT (Task-Based Language Teaching). Daarbij verschoof de nadruk van expliciete grammaticaoefeningen naar betekenisvolle, authentieke taken rond taal, cultuur en maatschappij. Hoewel studenten de cursus positief waardeerden, hoorden we regelmatig een opmerkelijke opmerking terugkomen: ‘Ik heb eigenlijk niet zoveel geleerd.’ Dat stond haaks op onze eigen indruk als docenten. In ons onderzoek wilden we daarom nagaan hoe deze perceptie zich verhield tot de daadwerkelijke taalontwikkeling van studenten. De resultaten waren opvallend. Uit een voor- en nameting bleek dat vrijwel alle studenten vooruitgingen, ongeacht hun instapniveau. Vooral studenten die aan het begin van de cursus relatief zwak scoorden, maakten grote stappen. Tegelijkertijd bleek uit enquêtes en focusgroepgesprekken dat sommige studenten grammatica nog steeds beschouwen als hét zichtbare bewijs van taalonderwijs. Wanneer grammatica minder nadrukkelijk aanwezig is, kan het gevoel ontstaan dat er minder geleerd wordt, zelfs wanneer de taalvaardigheid aantoonbaar groeit. Deze spanning tussen ervaren en gemeten leerwinst leidde tot interessante vragen en discussies.
Minstens zo inspirerend was de postersessie tijdens de lunch. Daar presenteerden studenten van de lerarenopleidingen voor mvt aan de Universiteit Leiden hun eigen praktijkonderzoeken. Op de posters kwamen uiteenlopende onderwerpen voorbij: spreekbereidheid in de lessen Frans, taakherhaling bij mondelinge presentaties, genderinclusieve taal in het Duits, AI als hulpmiddel bij leesvaardigheid en het gebruik van Papiaments in lessen Frans op Curaçao. De informele opzet van de postersessie bood volop gelegenheid aan de studenten om met de onderzoekers in gesprek te gaan.
Wat ik uiteindelijk vooral meenam uit Leiden was een gevoel van optimisme. In discussies over mvt-onderwijs wordt onderzoek soms voorgesteld als iets dat buiten de school of universiteit plaatsvindt. Deze conferentie liet juist zien dat onderzoek en onderwijs elkaar kunnen versterken wanneer docenten zelf een onderzoekende houding aannemen. Niet iedere docent hoeft een groot onderzoeksproject uit te voeren. Maar iedere docent stelt dagelijks vragen over zijn of haar onderwijs. En juist daar begint onderzoek.
Marjolein Lansing presenteert haar onderzoek naar een CLIL-benadering voor docenten mvt (foto: Nivja de Jong).
Studenten presenteren hun praktijkonderzoek tijdens de postersessie (foto: Nivja de Jong).
terug